Achtergrond
Venusexpedities - 1769

De volgende Venusovergang op 3 juni 1769 zou voornamelijk
zichtbaar zijn vanaf de Amerikaanse Westkust, de Aziatische Oostkust en
de Stille Oceaan. Wederom stuurden Frankrijk en Engeland diverse sterrenkundige
expedities overzee. Naast het waarnemen van de overgang vanuit de nog grotendeels
ongekarteerde Stille Zuidzee, moesten zij echter ook speuren naar het grote
onbekende Zuidland (Terra australis incognita), dat cartografen al vanaf
de oudheid op hun kaarten hadden getekend om de noordelijke werelddelen
"in evenwicht'' te houden, en dit in de naam van hun koning opeisen. Vooral
de expeditie van de Engelsman James
Cook, die na de overgang vanaf Tahiti
waargenomen te hebben ondermeer Nieuw Zeeland en de Oostkust van Australië
ontdekte, zou grote vermaardheid verwerven. 

In Nederland, waar alleen het begin vlak vóór zonsondergang zichtbaar zou zijn, kwam er van de waarnemingen niets terecht. De Utrechtse hoogleraar Johann Frederick Hennert werd de dupe van het slechte weer, en zijn Leidse collega Lulofs, die nog juist ten behoeve van deze waarneming voor nieuwe instrumenten had geijverd, kwam kort voor de overgang te overlijden. Vanuit Batavia kon Mohr alleen de uittrede bepalen, het begin vond daar vóór zonsopgang plaats.
En hoe was het le Gentil vergaan die al 8 jaar lang geduldig deze overgang in het Verre Oosten had afgewacht? Deze was in 1766 op eigen initiatief van Pondicherry doorgereisd naar Manila vanwaar hij de overgang beter hoopte te kunnen waarnemen. De Franse Academie van Wetenschappen raadde hem echter dringend aan onmiddellijk naar Pondicherry terug te keren. Ironisch genoeg kreeg hij nu van de Engelsen in het nabijgelegen Madras alle medewerking om de overgang te observeren. De dag zelf in Pondicherry begon wolkeloos, zoals vele van de voorafgaande dagen, maar vlak voor het begin stak er een hevige storm op waardoor de Zon zich tijdens de gehele duur van de overgang niet liet zien. Achteraf hoorde le Gentil dat de hemel die dag in Manila stralend helder was geweest. Werkelijk niets bleef deze arme sterrenkundige bespaard, want toen hij in 1771 eindelijk weer in Frankrijk terugkeerde, na nog tot twee keer toe schipbreuk geleden te hebben, bleek dat men hem inmiddels dood waande. Zijn zetel aan de Academie was door een ander ingenomen en zijn bezittingen waren al onder zijn erfgenamen verdeeld.
De uitwerking van alle vergaarde waarnemingen zou nog vele jaren vergen,
vooral door een verschijnsel dat men niet voorzien had. Het ogenblik waarop
de planeet Venus tijdens haar intrede of uittrede de zonneschijf raakte
kon namelijk niet exact vastgelegd worden. Het zwarte planeetschijfje bleek
tijdens de intrede en de uittrede omgeven te zijn door een kleine lichtende
ring die veroorzaakt werd door straalbreking van het zonlicht in de atmosfeer
van Venus. Daarnaast leek de schijf van Venus de zonnerand op het moment
van de inwendige raking niet onmiddellijk los te laten maar leek het alsof
zich hiertussen een tijdelijke verbinding vormde die pas na enkele seconden
los liet zodat het tijdstip van raking te laat werd vastgelegd. Vooral het
laatste verschijnsel, het "zwarte druppel effect'', maakte de methode toch
niet zo nauwkeurig als men gehoopt had. Ook de uiteindelijk bepaalde waarde
voor de zonsparallax van 8.57116 boogseconden (overeenkomend met een afstand
Aarde-Zon van 153 miljoen kilometer), met een opgegeven onzekerheid van
slechts 0.0371 boogseconden, die de Duitse sterrenkundige Johann Franz Encke
in 1835 publiceerde, bleek achteraf veel minder precies te zijn dan men
dacht. De tweede decimaal bleek later al fout te zijn! De Franse sterrenkundige
Urbain Jean-Joseph le Verrier zou later dan ook verzuchten: 'Dit getal is
zeker onjuist; het heeft ons allen veertig jaar lang misleid. Doch hoe een
getal te wantrouwen, dat met [zoveel] exacte decimalen gegeven is?' 
