Achtergrond
Venusexpedities - 1761

Omdat de planeet Venus de Aarde veel dichter nadert dan de planeet Mercurius, waren voor deze methode bruikbare resultaten alleen maar bij Venusovergangen te verwachten. De eerstvolgende overgang van 5 juni 1761 werd door de astronomen dan ook met spanning afgewacht. Zij zou voornamelijk in Azië zichtbaar zijn en om een zo groot mogelijke nauwkeurigheid te bereiken werden waarnemers zowel naar onherbergzame streken in Siberië als naar sub-tropische eilanden in de Indische Oceaan gestuurd.
Het belang van deze metingen werd zo hoog geacht dat de traditionele rivalen
Frankrijk en Engeland, toen juist in een zee-oorlog gewikkeld, afspraken
om elkaars overzeese sterrenkundige expedities zoveel mogelijk ongemoeid
te laten. Het relaas van Guillaume-Joseph-Hyacinthe-Jean-Baptiste le Gentil
de la Galaisière laat zien dat dit niet altijd lukte. Vlak voor zijn aankomst
op het Franse steunpunt Pondicherry in Voor-Indië kreeg hij te horen dat
de stad in Engelse handen was gevallen zodat zijn schip rechtsomkeert moest
maken naar het eiland Mauritius. Zo moest de arme astronoom de Venusovergang
onder een wolkeloze hemel op volle zee gadeslaan: bruikbare tijdmetingen
waren vanaf een slingerend schip natuurlijk niet mogelijk. Le Gentil gaf
echter niet op. Onmiddellijk nadat de Fransen Pondicherry hadden heroverd
scheepte hij zich weer in om daar de volgende Venusovergang, die 8 jaar
later plaats zou vinden, af te wachten. 
In Nederland, waar het begin al vóór zonsopgang plaatsvond, werd de uittrede onder meer waargenomen door de Leidse hoogleraar Johan Lulofs en door getalenteerde amateur-astronomen als Jan de Munck in Middelburg en Dirk Klinkenberg in Den Haag. In Batavia kon de predikant Mohr wel een complete waarneming van de in- en de uittrede doen.
